De afgelopen jaren heeft loopbaanoriëntatie en –begeleiding (LOB) volop in de aandacht gestaan. Vooral dankzij het project Stimulering LOB en het werk van Marinka Kuijpers is er veel gebeurd op dit gebied. Onderdeel van de herziening van het vmbo is dat LOB vanaf schooljaar 2016-2017 als een rode draad door de nieuwe beroepsgerichte programma’s van het VMBO loopt. Bovendien hanteert het VMBO dezelfde vijf loopbaancompetenties als het MBO[1]:

  • kwaliteitenreflectie (Wat kan ik het best en hoe weet ik dat?)
  • motievenreflectie (Waar ga ik voor, waar sta ik voor en waarom dan?)
  • werkexploratie (Waar ben ik het meest op mijn gemak en waarom dan?)
  • loopbaansturing (Hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?)
  • netwerken (Wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?)

Dit bevordert vanzelfsprekend de aansluiting tussen het vmbo en mbo en stimuleert de ontwikkeling van loopbaancompetenties als een doorlopend leerproces. De vraag is hoe je dit leerproces kunt afstemmen op de ontwikkeling die jongeren doormaken in de adolescentiefase.

LOB en identiteitsvorming

De adolescentie is een levensfase waarin jongeren loskomen van hun ouders, hun eigen identiteit ontwikkelen en een plek verwerven in de maatschappij. Daarbij hoort het verkennen van eigen grenzen en het experimenteren. In eerste instantie willen jongeren vooral bij een bepaalde vriendengroep horen en zijn ze geneigd om de bijbehorende waarden en normen over te nemen, zoals bijvoorbeeld het idee dat huiswerk maken niet stoer is. Zodra hun identiteit vorm krijgt, worden jongeren minder gevoelig voor groepsdruk en maken ze meer hun eigen keuzes op basis van hun eigen waarden. Ouders blijven overigens wat dat betreft het oriëntatiepunt.

Het zelfbeeld van jongeren komt tijdens de adolescentie vooral in sociale ervaringen tot stand. Jongeren zijn sterk gericht op wat wel werkt en niet werkt in de sociale omgang met leeftijdsgenoten, leren hiervan en zullen hun kwaliteiten in de loop van de tijd vaker gaan koppelen aan de omgang met anderen. Ze zullen dus vaker kwaliteiten gaan benoemen waarmee ze waardering of status krijgen in hun vriendengroep. Dit kan variëren van ‘goed kunnen luisteren’ tot ‘gamen’, afhankelijk van de groep waarmee de jongere zich verbonden voelt of wil voelen.

Dit betekent voor loopbaangesprekken dat jongeren een ontwikkeling doormaken in het benoemen van hun kwaliteiten en de betekenis die ze hieraan geven. Ze moeten dus vooral de gelegenheid krijgen om hun kwaliteiten te ontdekken, zowel binnen als buiten de context van de school. Gezien het feit dat jongeren zo gericht zijn op leeftijdsgenoten, is het juist tijdens deze periode belangrijk dat je aandacht besteedt aan de sfeer in de groep en elke leerling het gevoel heeft dat hij erbij hoort. Dit is van belang voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling en het ontwikkelen van een positief zelfbeeld.

Jongeren zijn niet alleen bezig met hun sterke en zwakke kanten. Door toename van het abstracte denkvermogen gaan jongeren ook nadenken over hun ideale zelf. De afstand tussen de manier waarop jongeren zichzelf zien en hun ideaalbeeld is bepalend voor hun gevoel van eigenwaarde. Een grote afstand tussen zelfbeeld en ideaalbeeld kan leiden tot schaamtegevoel of boosheid. Jongeren kunnen dan bepaalde ervaringen gaan vermijden of zich agressief gedragen en zo in een negatieve spiraal terechtkomen. Dit gaat ten koste van de zelfeffectiviteit die de jongere ervaart, ofwel het gevoel dat je ertoe doet, dat je invloed kunt uitoefenen op de dagelijkse situaties en je de taken die van jou gevraagd worden tot een goed einde kunt brengen. Met name zelfeffectiviteit is van grote invloed op succesvol leren en het functioneren in de maatschappij.

Loopbaangesprekken stimuleren zelfkennis en dankzij kwaliteitenreflectie worden jongeren zich beter bewust van hun sterke punten. Wanneer je als school of team echt wil inzetten op het stimuleren van een reëel, positief zelfbeeld en zelfeffectiviteit, heeft dit ook consequenties voor het dagelijkse handelen van het gehele team. Je kunt dan denken aan leraren die bijvoorbeeld:

  • Vertrouwen hebben in het kunnen van alle leerlingen, hoge verwachtingen uitspreken en leerlingen laten werken aan uitdagende en tegelijkertijd haalbare leerdoelen.
  • Effectieve feedback geven en leerlingen vragen om zichzelf te beoordelen (zie eerdere blog).
  • Leerlingen leertaken geven waarbij ze de gelegenheid krijgen hun sterke punten verder te ontwikkelen.
  • Leerlingen leertaken geven die leiden tot een tastbaar (praktisch) resultaat waar ze trots op kunnen zijn.

Als loopbaanbegeleider kun je daarnaast met leerlingen bespreken in welke dagelijkse situaties (buiten de school) zij zelfredzaam zijn. Praktische zaken regelen en tot een goed einde te brengen heeft volgens Kohnstamm een positief effect op het gevoel van eigenwaarde van jongeren.

Zelfkennis en zelfwaardering zijn slechts onderdelen van identiteitsvorming. Kohnstamm omschrijft identiteit als een diep geworteld gevoel dat je in de basis dezelfde bent in allerlei situaties. In de puberteit komt het ik-besef op losse schroeven te staan door de grote lichamelijke, cognitieve en sociale veranderingen. Volgens Kohnstamm is een centraal thema van de adolescentie het hervinden van je identiteit, op een hoger niveau dan in de kindertijd. De kern is het vinden van stabiliteit. Voor een veertienjarige kan het heel verwarrend zijn dat hij zich bij zijn opa en oma anders gedraagt dan bij zijn vriendengroep, terwijl hij zich in beide situaties thuis voelt. Op den duur ontstaat pas het besef dat aanpassingsvermogen geen afbreuk doet aan je identiteit en dit wellicht juist een sterk punt is.

Het begrip identiteit heeft ook te maken met wat je vanuit je identiteitsgevoel doet en welke commitments je aangaat. Kohnstamm: ‘Gedurende de adolescentie is  afwisselend sprake van aangaan, loslaten en veranderen van bindingen op de verschillende levensdomeinen.’ Jongeren kunnen dus ergens voor staan en zich hiervoor inzetten en dan na verloop van tijd andere keuzes maken of prioriteiten stellen.  Bovendien kunnen jonge adolescenten misschien wel bindingen hebben in hun huidige levenssituatie, terwijl de bindingen met het oog op de toekomst (zoals loopbaankeuzes) nog vaag zijn. Door jonge adolescenten te vragen waar ze voor staan en waar ze voor gaan (motievenreflectie), kun je een bewustwordings- en denkproces op gang brengen. Dankzij je begeleiding in de ontwikkeling van loopbaancompetenties, stimuleer je dat leerlingen meer sturing kunnen nemen over hun loopbaan. Tegelijkertijd is het goed te beseffen dat de meeste jongeren pas na een proces van exploratie keuzes kunnen maken waar ze achter staan en waar ze zich ook daadwerkelijk langere tijd voor kunnen inzetten. Dit kan verschillen per levensdomein en elke jongere maakt hierin zijn eigen ontwikkeling door. LOB is daarom maatwerk en het zou mooi zijn wanneer ons schoolsysteem in de toekomst beter toegerust is op jongeren die niet het standaard pad bewandelen of gewoonweg meer tijd nodig hebben om loopbaankeuzes te maken waar ze langere tijd achter kunnen staan.

Het ECBO heeft wat dat betreft een interessante publicatie uitgebracht, waarin beschreven staat hoe het (beroeps)onderwijs en de financiering hiervan beter afgestemd kan worden op de levensloopbaan van jongeren en volwassenen:

Wanneer je meer wilt weten over het voeren van gesprekken met jongeren, is een vorige blog van mij wellicht interessant om te lezen:

Bronnen

  • LOB in de nieuwe examenprogramma’s, Handreiking jan. 2015, http://www.vernieuwingvmbo.nl/wp-content/uploads/2012/05/LOB-Handreiking-jan-15.pdf
  • Kleine ontwikkelingspsychologie, De puberjaren, R. Kohnstamm, Bohn Stafleu, 2009

[1] Overgenomen uit LOB in de nieuwe examenprogramma’s, Handreiking jan. 2015

 

Hoe stem je LOB af op de leeftijdsfase van jongeren?