Volgens Deci en Ryan staan drie basisbehoeften ten grondslag aan het menselijk gedrag:

  1. Autonomie – de behoefte om keuzevrijheid te ervaren en zelf te beslissen wat je doet.
  2. Verbondenheid – de behoefte om ergens bij te horen, relaties aan te gaan en je als individu gerespecteerd te voelen.
  3. Competentie – de behoefte om bekwaamheid te ervaren en vertrouwen te hebben in je eigen kunnen.

Als in voldoende mate is voldaan aan deze basisbehoeften, is er welbevinden, inzet en zin in leren. Voor jongeren geldt dit misschien wel in versterkte mate. Nu is autonomie een lastige. Jongeren voelen zich vaak al volwassen en willen alles zelf bepalen, terwijl wij als volwassenen ervaren dat ze sturing nodig hebben. Hoe ga je hiermee om?

In het boek ‘Leerbereidheid van leerlingen aanwakkeren’ (zie bronvermelding) wordt duidelijk gemaakt dat juist de combinatie van autonomie en het aanbieden van structuur het meest effectief is om de motivatie van leerlingen te stimuleren en de kans op succesvol leren te vergroten.

Je kunt dan onder meer denken aan:

  • Duidelijke gedragsverwachtingen en afspraken.

Daardoor weten leerlingen weten waar ze aan toe zijn en creëer je de benodigde rust om te leren. Door onderscheid te maken in gedragsverwachtingen die je hebt van de leerling (zijn niet onderhandelbaar) en afspraken (die maak je samen), geef je structuur en bied je tegelijkertijd autonomie.

  •  Heldere en tegelijkertijd flexibele leerdoelen en concrete beoordelingscriteria.

De meeste structuur geef je, wanneer je zelf de leerdoelen en beoordelingscriteria bepaalt en met leerlingen bespreekt wat de relevantie is van het leerdoel. Wanneer je de balans  zoekt tussen structuur en autonomie, loont het de moeite om na te gaan welke ruimte je leerlingen kunt geven om hun eigen leerdoelen te stellen (binnen de door jou gestelde grenzen). Je kunt er ook voor kiezen om de groep leerlingen (in zekere mate) te betrekken bij het opstellen van de beoordelingscriteria. Dit verhoogt de betrokkenheid bij het leren en stimuleert de eigen verantwoordelijkheid. Leerlingen zijn daardoor eerder geneigd om zich in te spannen en daadwerkelijk iets te doen met de feedback die zij krijgen.

  •  Aandacht voor zelfsturing van leerlingen en het geven van effectieve feedback.

Succesvolle leerlingen leren doelgericht door zichzelf (onbewust) steeds drie vragen te stellen:

  1. Wat is mijn doel?
  2. Waar sta ik nu?
  3. Wat is mijn eerstvolgende stap om mijn doel te bereiken?

Zij weten daarmee sturing te geven aan hun eigen leerproces. Leerlingen met weinig zelfsturing zijn afhankelijker van sturing van buitenaf. Je kunt deze leerlingen stimuleren tot zelfsturing door in je lessen regelmatig terug te komen op bovenstaande vragen.

Omdat gedachten en gevoelens een belangrijke rol spelen in dit proces, hebben met name deze leerlingen feedback nodig die het vertrouwen in hun eigen mogelijkheden versterkt. Feedback op het tussentijdse resultaat is vooral effectief wanneer leerlingen iets nieuws leren. Feedback op de aanpak helpt leerlingen te bepalen welke vervolgstap het beste gezet kan worden om het doel te bereiken. Je kunt leerlingen natuurlijk ook leren om elkaar feedback te geven op het tussentijdse resultaat en de aanpak, zodat ze elkaar helpen om hun leerdoelen bereiken.

  • Het gebruik van autonomie ondersteunende taal (in plaats van controlerend)

Met controlerend taalgebruik leg je de nadruk op het ‘moeten’. Je zet de leerling daardoor onder druk of je zorgt je ervoor dat de leerling zichzelf onder druk zet. Dit gaat ten koste van het gevoel van autonomie en de bereidheid om te leren. In veel situaties kun je daarom beter autonomie ondersteunende taal gebruiken. Daarmee stimuleer je dat de leerling zich serieus genomen voelt en doe je recht aan zijn behoefte aan autonomie en competentie. Tevens leg je daarmee het accent op het ‘willen’. Dit verhoogt de kans op leren van binnen uit.

Stel bijvoorbeeld dat een leerling nog even snel een sms wil versturen op het moment dat hij de klas in loopt. Je kunt dan direct dreigen met straf (= controlerend taalgebruik). Je kunt ook zeggen: ‘Druk je even op versturen en stop je daarna je mobiel in je tas? Ik wil namelijk graag beginnen met de les.’ (= autonomie ondersteunend taalgebruik).

Vanhoof e.a. (2012) geven in hun boek daarnaast de volgende voorbeelden:

 ‘Steek eerst je hand op als je wilt antwoorden’ (controlerend)

‘Fijn dat je het antwoord weet. De volgende keer heb ik graag dat je eerst je hand opsteekt, oké?’ (autonomie ondersteunend)

 ‘Dit is een herhaling van vorig jaar. Iedereen zou dit dus probleemloos moeten kunnen volgen.’ (controlerend, want zet de ander onder druk)

‘Dit is een herhaling van vorig jaar. Iedereen kan voor zichzelf nog eens testen of alles nog bekend is.’ (autonomie ondersteunend)

 ‘Ik ben teleurgesteld in jouw resultaat, ik had beter verwacht van jou.’ (wanneer je dit soort uitspraken vaker doet, gaat de leerling werken om jouw goedkeuring te krijgen en het kan resulteren in schaamte als dit niet lukt)

‘Ik weet dat jij beter kan. Wat is er gebeurd?’ (autonomie ondersteunend)

 

Bron:

Leerbereidheid van leerlingen aanwakkeren, J. Vanhoof e.a., Acco, 2012

Geef je je leerlingen de vrijheid of bied je structuur?
Getagd op: