Jongeren communiceren voortdurend en zijn de hele dag ‘on-line’ met hun leeftijdsgenoten. Met volwassenen communiceren is echter een ander verhaal…. En andersom is het voor ons als volwassene soms moeilijk om ons te verplaatsen in de wereld van de jongere. Hormonen kunnen zorgen voor grote schommelingen in gedrag en ook het brein gaat totaal anders functioneren.

Tijdens de levensfase waarin jongeren zich ontwikkelen tot volwassene staat de vorming van de sociale en psychologische identiteit centraal. Terwijl rond het 14e jaar de basis is gelegd voor de sociale identiteit (hoe wordt er naar mij gekeken), wordt de periode tussen 14 – 16 jaar gezien als de fase van de uitvoering: het proces van losmaken van de ouders is het meest zichtbaar in deze periode. De eigen mogelijkheden en grenzen worden onderzocht en jongeren ontwikkelen steeds meer een eigen ‘ik’. Zodra de identiteit meer vorm krijgt, worden jongeren minder gevoelig voor groepsdruk en maken ze meer hun eigen keuzes conform hun eigen waarden en idealen. Het besef dat het mogelijke niet altijd samenvalt met het bestaande, kan ertoe leiden dat jongeren zeer kritisch zijn en/of juist heel idealistisch.

Een andere ontwikkeling die veel invloed heeft op de communicatie met jongeren is de ontwikkeling van hun brein. Tijdens de puberteit neemt het abstracte denkvermogen toe en zijn jongeren veel beter in staat om een redenering op te bouwen. Dit kan tot gevolg hebben dat ze er voortdurend op uit zijn om volwassenen te betrappen op (vermeende) inconsistenties, zodat ze daarover de discussie aan kunnen gaan. De vraag is of je dit moet opvatten als tegendraads gedrag. Kohnstamm ziet het argumenteren om het argumenteren veel meer als een eindeloos uitproberen van de nieuw verworven denkmogelijkheden (vergelijkbaar met kleuters die eindeloos naar het ‘waarom’ kunnen vragen).

Kenmerkend voor jongeren tussen 14 en 16 jaar is dat ze experimenteren en grenzen uitproberen. Het nemen van veel risico hoort daar soms bij. Jongeren in deze leeftijdsfase kunnen de consequenties van hun handelen vaak niet goed overzien. Tegelijkertijd zijn juist jongeren in staat om creatieve oplossingen te verzinnen waar volwassenen niet op komen. Vanaf 16 jaar kunnen jongeren steeds beter vooruit denken en stellen ze zich verantwoordelijker op. Wat het voor ons lastig maakt, is dat jongeren heel ‘volwassen’ kunnen denken en praten, terwijl hun gedrag soms het tegenovergestelde laat zien. Tot voor kort werd als verklaring gegeven dat de frontaalkwab achterbleef in het rijpingsproces van het brein. Nu blijkt dit een te simpele veronderstelling te zijn. De werking van de frontaalkwab van jongeren is heel flexibel en afhankelijk van de situatie. Wanneer jongeren gemotiveerd zijn en het nut ergens van inzien kunnen ze juist heel goed lange en korte termijn doelen bereiken.

Wat betekent dit voor het voeren van gesprekken met jongeren?

Elke jongere maakt zijn eigen ontwikkeling door in zijn eigen tempo. In grote lijnen valt wel onderscheid te maken tussen het voeren van gesprekken met jongeren tot ongeveer 16 jaar en vanaf ongeveer 16 jaar.

Gesprekken voeren met jongeren van 12 tot 16 jaar
Volgens Delfos zijn juist prille pubers gebaat bij duidelijke gesprekskaders. Geef dus als volwassene aan wat het doel is van het gesprek en zorg dat de jongere precies weet waar hij of zij aan toe is. Voor veel jongeren is deze fase een periode van onzekerheid en worden volwassenen met een zekere achterdocht tegemoet getreden. Het stellen van open vragen kan daarom averechts werken. Delfos adviseert om te starten met gesloten vragen en pas over te stappen op open vragen op het moment dat je ziet dat de jongere geïnteresseerd is in het onderwerp. Onzekere jongeren zullen zich eerder op hun gemak voelen, wanneer je het gesprek start met enkele simpele vragen die ze met ‘Ja’ kunnen beantwoorden.

Met name in deze fase nemen jongeren afstand van volwassenen en zijn ze sterk gericht op hun peergroup. Korte, bijna terloopse gesprekken tijdens een bepaalde activiteit werken vaak beter dan ‘formele’ gesprekken. Daarnaast kun je natuurlijk juist gebruik maken van de gerichtheid op hun peergroup door tijdens het gesprek hiernaar te refereren. Wanneer je een jongere bijvoorbeeld vraagt wat hij zou kunnen doen om beter met een specifieke situatie om te gaan, zal hij waarschijnlijk het antwoord schuldig blijven. Op het moment dat je vraagt wat hij een vriend hem (je noemt dan de naam van een goede vriend) zou adviseren in deze situatie, is de kans een stuk groter dat hij aan het denken gezet wordt en antwoord weet te geven. Een alternatief is dat je vraagt wat deze vriend hem zou adviseren.

Gesprekken voeren met jongeren van 16 jaar en ouder
Tijdens deze leeftijdsfase is het gevoel van gelijkwaardigheid heel belangrijk. Terwijl het denkvermogen van jongeren is toegenomen, heb je als volwassene nog steeds een voorsprong als het gaat om ervaring. Jongeren zitten er alleen niet op te wachten dat je vanuit jouw ervaring hen vertelt wat ze moeten doen. Dit werkt over het algemeen averechts. Je kunt bijv. met de beste bedoelingen tegen een jongere zeggen dat hij beter moet opletten in de les, omdat hij anders zijn diploma niet haalt. In de meeste situaties is dit echter zinloos en bereik je meer wanneer je de samenwerking zoekt en de jongere helpt om meer grip te krijgen op zijn eigen gedrag. In feite wil je in het gegeven voorbeeld allebei hetzelfde bereiken, namelijk dat deze jongere slaagt voor zijn diploma en uiteindelijk zijn plek weet te vinden in de maatschappij. Het gesprek aangaan vanuit dit gemeenschappelijke doel levert meer op. Jongeren vinden het over het algemeen prettig om over hun ideeën en plannen te praten, mits je als volwassene de jongere de ruimte geeft om te ontdekken wat ze precies willen. Dit betekent dus veel open vragen stellen, vanuit een oprecht geïnteresseerde, nieuwsgierige houding. Juist voor jongeren is het cruciaal voor hun motivatie wanneer volwassenen persoonlijke interesse tonen, waardering uiten en stimuleren om door te zetten als het moeilijk wordt. Daarnaast kun je een jongere helpen met het maken van keuzes (op de korte en lange termijn) door samen met hem de verschillende keuzemogelijkheden op een rijtje te zetten en de consequenties ervan te bespreken. Wanneer je dit doet vanuit vertrouwen in het kunnen van de jongere, stimuleer je dat hij of zij gebruik maakt van zijn toegenomen denkvermogen. En mocht je toch graag advies willen geven: vraag eerst of je de jongere een tip of een suggestie mag geven. Zodra je toestemming hebt, is de kans veel groter dat hij of zij er daadwerkelijk iets mee doet. Een andere mogelijkheid om de jongere te laten profiteren van jouw levenservaring is dat je de nuance aanbrengt op het moment dat hij of zij geneigd is tot zwart-wit denken. Een handige techniek om dit te doen bij het bereiken van doelen is de schaalvraag.

Bij de schaalvraag teken je een schaal van 1 tot 10. De 10 staat voor de situatie waarin het doel voor 100% is bereikt. De 1 staat voor de situatie waarin nog niets is bereikt. Je vraagt eerst naar het cijfer voor de huidige situatie. Vervolgens vraag je wat maakt dat de jongere al op dat cijfer staat. Je richt je dus op eerder succes. Daarna vraag je wat hij of zij kan doen om een klein stapje verder te komen richting de gewenste situatie. Desgewenst kun je dit omzetten in afspraken.

Bronnen

  • Ik heb ook wat te vertellen!, M.F. Delfos, SWP, 2005
  • Puberbrein binnenstebuiten, H. Nelis & Y. van Sark, Kosmos uitgevers, 2014
  • Kleine ontwikkelingspsychologie, de puberjaren, R. Kohnstamm, Bohn Stafleu, 2009

 

Gesprekken voeren met jongeren
Getagd op: